De Hollandse Herder

De Hollandse herder is een middelgrote en middelzware hond. Men onderscheidt drie variėteiten: een kortharige, een langharige en een ruwharige waarvan de meest voorkomende kleur goud- of zilvergestroomd is. 

       

De Hollandse herder bleek van nature geschikt om schaapskudden te hoeden. Hierbij werd niet gekeken naar uiterlijk maar er werd geselecteerd voor het werk wat ze moesten doen. Ze moesten bestand zijn tegen wisselende weersinvloeden; gehoorzaam, waaks, snel en vlug lerend zijn. Herder en herdershond moesten goed op elkaar afgestemd zijn.

       

Maar er waren ook herders die langere tijd trekkend langs de wegen de nacht buiten doorbrachten met hun schapen en honden. In weer en wind leefden ze dan vrijwel onbeschut. Daar moesten de honden tegen bestand zijn door hun dichte vacht. Het intensieve werk dag in dag uit was zeer vermoeiend, eiste snelheid en waakzaamheid. Met een jaar of acht was de hond afgewerkt en werd alleen nog maar voor kleinere karweitjes bij huis gebruikt.

Op boerderijen gebruikte men de herdershond voor allerlei werk: als waakhond en als trekhond voor de hondenkar om melkbussen te vervoeren of om het gezin ergens heen te brengen. Soms ging hij mee stropen.

Door het verdwijnen van veel schaapskudden verdween ook de taak voor de Hollandse Herdershond Op 12 juni 1898 werd in Utrecht de Nederlandse Herdershonden Club opgericht. Omdat de beroepsherders nooit op uiterlijk hadden gefokt maar alleen op gebruikswaarde kwamen allerlei kleuren voor. Deze kleurvariėteiten werden terug gebracht tot de huidig toegestane kleuren (zie onder kopje kleur).

Nu het hoeden van schapen toch meer tot het verleden behoort is de Hollandse Herder meer een gezinshond geworden.

Rasbeschrijving en raspunten

Algemene verschijning:
Een middelgrote, middelzware, flink gespierde hond, van krachtige, evenredige bouw; met intelligente uitdrukking en levendig temperament.

Karaktereigenschappen:
Aanhankelijk, gehoorzaam, volgzaam, paraat, zeer trouw en betrouwbaar, weinig eisend, met veel uithoudingsvermogen, steeds oplettend, aktief en begaafd met de ware herdershondenaard.

Maten:
De lichaamslengte is langer dan de schofthoogte, verhouding ongeveer als 10 tot 9. De schofthoogte van reuen: 57 tot 62 cm en van teven 55 tot 60 cm. 

Karakter:
Aanhankelijk, gehoorzaam, volgzaam, paraat, zeer trouw en betrouwbaar, weinig eisend, met veel uithoudingsvermogen, steeds oplettend, aktief en begaafd met de ware herdershondenaard. 

Variėteiten:
Naar de beharing onderscheidt men; korthaar, langhaar, ruwhaar.

    

Kleuren:
Korthaar: goud- of zilvergestroomd
Langhaar: goud- of zilvergestroomd
Ruwhaar: goud- of zilvergestroomd, blauwgrijs en peper-en-zout

Gangen
Vlot, soepel, normaal; benen niet "gebonden" voorwaarts gebracht, doch evenmin zwevend of uitgrijpend.


Beschrijving der lichaamsonderdelen

Hoofd
Afmeting in goede verhouding tot het lichaam; vorm eer gestrekt dan zwaar. Zonder plooien en droog.
De voorsnuit iets langer dan het vlakke voorhoofdgedeelte.
De neusrug recht en evenwijdig met de schedel verlopend; weinig stop. Goed aansluitende lippen.
Bij de ruwhaar variėteit lijkt het hoofd een meer vierkante vorm te hebben; dit is schijn. 
  

Oren
Eer klein dan groot. In aktie straf staand, naar voren gedragen, hoog aangezet. Vorm: niet lepelvormig.

Ogen
Donker gekleurd, middelgroot, amandelvormig (geen knikkeroog), enigszins schuin geplaatst.

Neus
Steeds zwart.

Gebit
Krachtig van ontwikkeling en regelmatig gevormd. Bij gesloten mond komen de bovensnijtanden vņņr en tegen die van de onderkaak; het zogenaamde schaargebit.

Hals
Verlangd wordt een niet te korte, droge hals, zonder plooien en geleidelijk verlopend in de bovenlijn van de romp.

Romp
Stevig, ribben licht gewelfd. Borst diep, doch niet smal. Onderborst geleidelijk overgaande in de buiklijn. Rug kort, recht en krachtig. Lendenen stevig, niet lang of smal. Kruis mag niet kort of afvallend zijn.

Voorbenen
Krachtig, goed gespierd en geknookt. Over het geheel steeds een rechte lijn vormend, doch met voldoende vering in middenvoetsgewricht. Schouders goed aansluitend aan de borstkas. Ligging van het schouderblad schuin, met een aansluitende bovenarm van goede lengte.

Achterbenen
Eveneens krachtig, goed gespierd en geknookt. Normale, matige hoek vormend in het kniegewricht, waardoor ook het dijbeen niet overdreven schuin komt te lopen. Ook in de spronggewrichten wordt matige hoekvorming gewenst, zodanig, dat de hiel juist in de loodlijn vanuit de zitbeensknobbel komt te vallen.
Geen hubertusklauwen.

Voeten
Goed gesloten; teenleden gebogen, waardoor lange voeten worden voorkomen. Zwarte nagels en elastische, donkere voetzolen.

Staart
In rust recht of hangend met lichte buiging. Lengte tot het hielbeen. In aktie sierlijk opwaarts gedragen, nimmer krullend of zijwaarts vallend.


Bijzonderheden voor de drie haarvariėteiten
 

Korthaar
Gewenst wordt een over het gehele lichaam vrij harde, niet te korte beharing met wollig onderhaar. Kraag, broek en staartveer moeten duidelijk zichtbaar zijn.
Kleur: meer of minder duidelijk uitgesproken stroming op bruine ondergrond (goudgestroomd) of op grijze ondergrond (zilvergestroomd). Stroming doorlopend over het gehele lichaam, ook in kraag, broek en staartveer.
Veel zwart dekhaar is ongewenst. Bij voorkeur zwart masker.

   

Langhaar
Over het gehele lichaam lange, rechte, liggende, grof aanvoelende beharing zonder krul of golving, met wollig onderhaar.
Hoofd, oren, voeten, evenals achterbenen beneden het spronggewricht kort en dicht behaard. De achterzijde van de voorbenen vertoont sterk ontwikkelde, naar onder in lengte afnemende beharing, de zogenaamde veer. Staart rondom overvloedig behaard. Geen franje aan de oren.
Kleur: hiervoor geldt hetzelfde als voor de korthaar.

   

Ruwhaar
Over het gehele lichaam wordt een dichte, harde, warrelige beharing gewenst met, behalve aan het hoofd, wollig dicht onderhaar. De pels moet goed gesloten zijn. Boven- en benedenlip flink behaard (zogenaamde snor en baard), niet zacht, goed afstaand en ruige, afstaande wenkbrauwen. Het haar op de schedel en aan wangen en oren is minder sterk ontwikkeld. Staart rondom sterk behaard. Sterk ontwikkelde broek is gewenst.
Kleur: blauwgrijs en peper- en zoutkleur, zilver- en goudgestroomd. De stroming komt bij de ruwhaar (in tegenstelling tot de andere variėteiten) in het bovenhaar minder duidelijk tot uitdrukking.


Fouten
Te veel wit aan borst of voeten, dan wel witte streep of vlek elders op het lichaam.
Niet zwarte neus.
Slaphangend of lepelvormig oor.
Foutieve kleur of aftekening en te veel zwart dekhaar.
Over- en onderbijten.
Gecoupeerde oren of staart.
Krulstaart.

Algemeen:

Sinds zijn taak als schaapshoeder grotendeels is weggevallen is de Hollandse Herders een echte gezinshond geworden. En ook hierin komt hij goed tot zijn recht. De Hollandse Herder richt zich sterk op de baas en de andere huisgenoten. Wel is natuurlijk van belang dat de hond goed wordt begeleid. De eerste weken is de fokker hiervoor verantwoordelijk maar als de hond bij z“n nieuwe baas komt ligt daar de grote taak. Hoe de hond zich uiteindelijk ontwikkelt hangt grotendeels af je eigen inspanning.

Het is van belang dat de Hollandse Herder consequent wordt opgevoed. Dat hoeft zeker niet met harde hand. Over het algemeen is de Hollander gevoelig genoeg om met de stem alleen te worden getraind. De slipketting en andere harde middelen behoren bijna tot het verleden. Nu heerst meer de opvatting belonen voor goed gedrag en negeren van verkeerd gedrag. Maar ook dit moet u niet naar de letter nemen.

Hoe de hond zich uiteindelijk zal gedragen hangt van vele factoren af maar een van de belangrijkste is uw taak als roedelleider  Door veel, intensief en consequent met uw hond om te gaan zal de hond u als leider erkennen, Door deze taak goed uit te voeren wordt de rust in de roedel bewaard. Als de hond het leiderschap overneemt zou dat tot veel narigheid leiden. Wanneer men zich verdiept in het wezen van de hond en de manier waarop de hond leert zal dit inzicht leiden tot een jarenlange prettige band met de hond. Bovendien zal de hond een plezier zijn voor de omgeving.

       

Belangrijk is in het oog te houden dat de Hollandse Herder een hond is die als hond benadert wil worden. Hij “spreekt“ een eigen taal die niet de onze is. Hij moet léren wat wij bedoelen. Door dit op een geduldige, positieve, gezellig manier te doen zal de hond zich steeds meer op de baas gaan richten. Nog mooier zou het zijn als wij zijn taal leren. Dan pas zal duidelijk worden hoe fantastisch een hond eigenlijk is. 

De Hollandse Herder is een pientere hond die snel leert. Als dat leren voor de hond veel positiefs op levert zal hij vrolijk en goedgemutst door het leven gaan, vriendelijk voor andere mensen en dieren. Hij is graag bezig. Nu het “echte“ werk bij de schaapskudde is weggevallen is het wenselijk om de hond andere werkzaamheden aan te bieden. Dat kan bij kynologieverenigingen waar diverse takken van “werk“ worden aangeboden. Daar wordt zoveel gedaan dat er voor hond en baas vast iets leuks bij zit. De hond blijft om uitdaging vragen. Door daar op in te gaan zal het een stabiel, sociaal en vrolijk dier worden.

Door het werk in de kudden werd van de honden veel zelfstandigheid gevraagd. Deze eigenschap zit er ook nu nog in. Daarom is het zo“n boeiende hond. Hij is zeker niet slaafs maar eerder wat eigenzinnig en onafhankelijk en dat vraagt om een consequente leiding. Als u hem die kan geven samen met veel positieve aandacht en leermogelijkheden dan vindt u in de Hollandse Herder een aanhankelijke, intelligente, trouwe makker waarmee u de komende 12 tot 13 jaar samen kunt zijn.

Onze buitengewone gewone "Hollander", een ras van eigen bodem.
buitengewoon: vanwege zijn karaktereigenschappen;
gewoon: omdat alles is verpakt in een goed gezonde hond, sober van uiterlijk, waaraan niet geknutseld is om de "schoonheid" te verhogen.